DE WAAGMEESTER I – TOEKOMST

Voor het hart van een aantrekkelijke grote stad dreigen vanouds drie gevaren van eenzijdige ontwikkeling, en ook Amsterdam moet er altijd weer opnieuw voor oppassen. Het eerste gevaar is dat van de Londense City: er wordt vooral hard gewerkt en veel verdiend, maar er woont geen kip en na kantoortijd kun je er een kanon afschieten. Naargeestige, winderige leegte tussen hoge pseudo-Amerikaanse wolkenkrabbers: zo’n beetje als de Zuidas, maar dan dus wel aan de Zeedijk. Dat dreigde ooit begin jaren zeventig te gebeuren, maar werd toen gelukkig met de Nieuwmarktopstand door de bewoners afgeslagen. Het tweede gevaar heet Apeldoorn: je woont er vast heel aangenaam, maar wel in de stilte van het groene graf, en niet alleen na kantoortijd maar altijd. Er wonen uitsluitend kippen, en daardoor is er niets te beleven – er wordt niet gewerkt, noch gerecreëerd. Voor Amsterdam dreigt dit gevaar momenteel niet echt. Dat geldt wel voor het derde gevaar: dat Amsterdam in één groot Venetië verandert, in een toeristisch openluchtmuseum met (in ons geval) pretparkachtige trekken, waar de bewoners door de overlast verdreven worden en de bedrijvigheid steeds eenzijdiger vormen aanneemt. Het is nog net niet Brugge, waar Amerikaanse bezoekers soms al vragen ‘hoe laat het dicht gaat’, maar in sommige straten, juist in het oude stadshart, scheelt het niet veel. Het stadsbestuur heeft dit ook jarenlang met haar ‘I Amsterdam-campagne’ (het gebruik van het Nederlands wordt alleen nog voor een inburgeringscursus aan vluchtelingen voorgeschreven) gepromoot. Het heeft ons geneugten als de bierfiets opgeleverd, alsmede winkels waar je nu voor driemaal de normale prijs kaas kunt kopen, en ons ook een onverwachts grote Nutella-behoefte bij de funshoppende medemens doen ontdekken. Zeker: de stad heeft er goed aan verdiend – het toerisme vormt voor Amsterdam een belangrijke inkomstenbron – maar er zijn grenzen. Het zijn nog altijd de tachtigduizend bewoners van de Binnenstad die deze aantrekkelijk en tot ‘Amsterdam’ maken – dat vinden al die toeristen zelf overigens ook, want de meesten willen op vakantie niet alleen maar een kloon van zichzelf tegenkomen. Gelukkig is er nu een initiatief van burgers om die kans op dat laatste wat te verminderen. StadForum, een nieuwe adviesraad voor de ruimtelijke toekomst van Amsterdam is afgelopen najaar met een masterplan voor de binnenstad voor 2036 gekomen. De club bepleit in de vorm van tien punten een aantal stringente maatregelen die de huidige negatieve tendens moet keren.
Daardoor zal over twintig jaar de stad inderdaad fors aan aantrekkelijkheid gewonnen hebben, en de huidige eenzijdige ontwikkeling ten goede gekeerd zijn. Dat is hard nodig, want bij ongewijzigd beleid dreigt opnieuw een verdubbeling van het aantal toeristen, en dat kan Amsterdam niet aan. En zeker het hart van de stad kan dat niet. Het belangrijkste van de tien punten is dat onmiddellijk gestopt wordt met de bouw van nieuwe hotels – niet alleen binnen de Singelgracht. Dat is tot nu toe de grote aanjager van de toegenomen drukte geweest. Graag zou ik daaraan AirBnB toevoegen, dat in die tien punten ongenoemd blijft. Met nieuwe hotels in grote gebouwen wordt bedrijfsruimte onttrokken, met AirBnB betaalbare woonruimte. Het tienpuntenplan zou nog extra winnen, wanneer ook een duidelijker ‘selectie’ van het soort gewenste bezoekers wordt bepleit. Minder massa, meer kwaliteit: geen ‘vrijgezellenpartygasten’ meer, en ook geen grote groepen, die voor een paar uurtjes snel door de stad naar een enkele hoofdattracties worden geloodst. De rijen voor het Anne Frankhuis en Madame Tussaud zijn echt al lang genoeg. Heel fijn, dat men na Japan ook in China het unieke van Amsterdam begint te ontdekken, maar ik heb hier toch liever niet alle één miljard Chinezen tegelijk. Het reguleren van bezoekers valt natuurlijk niet los te zien van het reguleren van het verkeer. In dat opzicht heeft het Amsterdamse stadsbestuur nooit echt durven doortasten, in een poging iedereen een beetje te vriend te houden. Dat heeft in het verleden tot veel halfslachtige tussenoplossingen geleid, met de sneltram-metro naar Amstelveen als sprekend voorbeeld. De liefde brengt mij momenteel frequent met dat ding naar Buitenveldert, en dan stuit je, als je ginds op een halte belandt op iets waarvan de ‘logica’ volgens mij aan geen buitenstaander valt uit te leggen: dat je voor lijn 51 naar CS buiten bij een paaltje op een hoog perron moet inchecken, en voor lijn 5 naar CS binnenin, nadat je vanaf een laag perron bent ingestapt. Ik heb het overigens nog niet gewaagd om uit te proberen wat er gebeurt als je het omgekeerde doet. Het Masterplan durft in dat opzicht gelukkig meer dan het stadsbestuur in het verleden: keuzes te maken. De Amsterdamse binnenstad is nu eenmaal niet die van Parijs, met z’n brede boulevards. Om te beginnen wil het van een groter deel van de binnenstad een voetgangerszone te maken, met fietsstraten afgewisseld. Elders is de fietser dan te gast (dat vergt wel wat zelfdiscipline!) en de auto is het overal. Dat betekent ook veel minder parkeerplaatsen langs de grachten – en laat ik hieraan toevoegen: de overige vaker slechts voor bewoners, niet meer voor bezoekers. Ook touringcars en grote vrachtauto’s moeten geweerd worden. Toeristen kunnen vanuit de buitenwijken per boot de binnenstad in – en voor wie meent, dat dat bezoekers afschrikt: in Venetië doen ze niet anders, en daar is het toch echt niet muisstil. En wat de vrachtauto’s betreft: ik was een paar jaar geleden in Rome, en daar kom je met grote het stadshart niet meer in. Natuurlijk zullen sommige transportbedrijven eerst klagen dat dit hen op kosten jaagt. Maar als ik ondernemer was, dan wist ik het bij zulk gejammer wel: ik kocht meteen honderd kleine bestelbusjes voor het overladen en had zo mijn vervoersmonopolie binnen.